De beginjaren (1911-1926)
Op 5 juli 1911 werd te Leuven 'in den schoot van den Belgischen Boerenbond eene afdeeling voor vrouwen gesticht, met name Belgischen Boerinnenbond'.
Erg gevarieerd waren de nationale Boerinnenbondactiviteiten voor de Eerste Wereldoorlog niet. Behalve het tijdschrift 'DE BOERIN' dat maandelijks de schakel vormde tussen alle leden van de vereniging en waarin het 'gildennieuws' een grote plaats innam was er alleen de jaarlijkse algemene vergadering en een 'Boerinnendag'. Het echte verenigingsleven gebeurde in de gilden zelf. Elke gilde kwam 4 maal per jaar samen volgens een aanbevolen vergaderschema. Voordrachtgevers konden gevraagd worden bij het ministerie van Landbouw of bij de Boerinnenbond zelf. Het valt op dat, naast de typische landbouwonderwerpen, er toen al aandacht was voor het verbeteren van de voeding, voor de verzorging van zuigelingen en voor een goede scholing voor meisjes op de buiten. Aan ontspanning werd in die eerste periode nog weinig aandacht besteed. Men kwam op de eerste plaats samen om te leren. Maar hier en daar werd tijdens de pauze al koffie met koekjes geserveerd. De morele en religieuze vorming van de leden verschoof in 'De Boerin' vanaf 1924 letterlijk van de laatste naar de eerste plaats en het aantal godsdienstige artikels nam stelselmatig toe. Dit hing duidelijk samen met de 'Katholieke Actie' waarmee paus Pius XI het katholieke leven in gezin en maatschappij en het lekenapostolaat een nieuw elan wilde geven. In 1922 begon de Boerinnenbond met driedaagse gesloten retraites. In 1926 ging de eerste tweejaarlijkse Lourdesbedevaart door.